Dit is de enige geschreven tekst die
JanKees in 2000 heeft geschreven.
Een donkerbruin vermoeden
O
Voorwoord
Deze tekst is niet bedoeld om de begeerte
naar wijsheden te prikkelen, evenmin het langzamerhand wel of niet eens
te zijn met dit geschrevenen, maar eerder een uitnodiging om 'onze'
wezenlijke aard te realiseren. Onze ware aard of natuur die tijdloos tegenwoordig is, nog voordat we enig idee of gevoel van
onszelf of het bestaan zouden kunnen hebben.
Deze ware aard of oorspronkelijke natuur, die juister
gezegd niet de onze kan zijn, is ondanks de bizarre gekte en ook nobele
neigingen van de persoonservaring, aldoor als het meest wezenlijke
beschikbaar. Door onszelf aan te zien voor deze persoonservaring en die
de indruk tovert dat we een iemand zijn, leven we in volstrekte onmin
met, ontkenning van en afweer tegen dit immens levend hier zijn: "onze"
wezenlijke natuur.
In deze tekst wordt steeds naar de mogelijkheid
gewezen, om dit onmiddellijke levende hier zijn te herkennen, zodat iedere twijfel
en elk zoeken ophoud te bestaan. Wanneer het zoeken - dat gelijk
staat aan de ervaring afgescheiden te zijn van wat is - ons verlaat,
blijven we achter in dit onvoorstelbare hier zijn zonder daar.
O
Dwars door beter weten heen
Men kan een vermoeden hebben dat het fundamenteel een vergissing is , of dat iets niet
helemaal klopt , jezelf, je eigenheid te beleven als een schim die in
het hoofd oftewel lichaam woont.
Een schimmige plek die we stilzwijgend als onszelf zijn gaan 'zien' - in
het hoofd genesteld, het hoofd als verblijfplaats. Vanuit dit verblijven wordt de zogenoemde buiten maar ook de zogenaamde
binnenwereld ervaren.
Het begrip verblijfplaats , verwijst in deze tekst
steeds naar het gevoel of idee dat we een zelfstandig wezen of entiteit
zijn. Dit identiteitsgevoel dat ik als mezelf beschouw, schijnt het middelpunt te zijn van waaruit en waardoor afgescheidenheid ervaren
wordt. De ervaring afgescheiden te zijn, roept een 'wereld' op van
ontkenning omtrent onze ware natuur die tijdloos onverdeeld tegenwoordig
is. Een wereld van ideeën en overtuigingen die doordrenkt is met de vaste veronderstelling dat ik een product ben van het verleden.
De schim of de schimmige verblijfplaats
die ik op deze wijze mezelf noem, kunnen we beschouwen als inherent aan
mijn persoonlijke verhaal. Persoonlijk en autonoom lijkt het verhaal:
dit verhaal dat zijn continuïteit ontleent aan de onophoudelijke drang
tot veiligheid. Innig is de behoefte aan veiligheid die we nimmer
kunnen vinden op de plek waar we denken te verblijven.
Deze schimmige verblijfplaats zullen we niet zo
gauw aan een onderzoek blootstellen. Om dit vanzelfsprekende en
collectief gerespecteerde idee te betwijfelen, zullen we op z'n minst
een donkerbruin vermoeden moeten koesteren.
O
Een
donkerbruin vermoeden
Het open beschikbaar
zijn waarop in deze tekst steeds weer wordt geattendeerd, kunnen we als
onze ware aard beschouwen. Nu is dat beschouwen misschien wel leuk en
aardig maar het gaat er natuurlijk om, dit onmiddellijke zien te leven,
het zonder middelen te herkennen. Herkennen is het zien dat je aldoor bezig
bent te doen alsof dit immens levende hier zijn er niet is. Dus het zien
wat je niet bent is synchroon met het zien wat je wel bent.
Dit hier zijn is aldoor beschikbaar, ook wanneer we denken dat we ons
er niet van bewust zijn. Open beschikbaarheid is niet iets wat we kunnen ervaren, we
kunnen er niet even rustig naar kijken of een stapje terugnemen om een
goede indruk te krijgen van wat dit nu inhoudt. We kunnen ons niet
trainen om ons dit hier zijn geleidelijk aan bewust te worden. Dat wat
we zijn kunnen we niet worden. Je kunt van alles worden wanneer er
voldoende inzet is, maar deze openheid, dit hier zijn kunnen we nimmer
bewerkstelligen of bereiken. Voor water is het niet mogelijk om nat te
worden: dat is het al. Dus we kunnen niet worden wat er al is. Dit
zogenaamde moment waarop deze regels worden gelezen is het
onomstotelijke bewijs dat dit immens levende hier zijn hier is,
zonder daar. Het is gegarandeerd tijdloos beschikbaar als wat je bent,
als wat er is.
Maar wie zou er een garantie nodig hebben? Er is geen enkele
mogelijkheid om dit moment waarop deze regels worden gelezen te pakken
en al helemaal niet te claimen. Ervaringen van duizenden, miljoenen en
triljarden jaren vinden hier schijnbaar plaats, hier waar deze regels
worden gelezen. Verleden, heden en toekomst zijn deze - je zou kunnen
zeggen - holografische verbeeldingen die betekenissen van duizenden en
triljarden jaren, of herinneringen van een paar minuten geleden in zich
dragen.
De tijd, die verleden heden en toekomst is, kan niets anders zijn
dan een verbeelding of een gedachte die nu hier plaats vindt. En dan te
bedenken dat er nooit meerdere gedachten tegelijk kunnen verschijnen.
Dus er is een gedachte of een gedachte aan veelheid die ogenblikkelijk
plaats maakt voor een volgende.
Wat een gedachte precies is kunnen we nooit weten, behalve door middel
van het denken zelf. Dus we kunnen wat zogenaamd plaatsvindt niet
pakken, niet grijpen. Dit onbegrijpelijke vindt hier plaats waar je
bent, hier waar je nooit aan kunt ontsnappen. Je kunt nooit voor een
milliseconde er even niet zijn, zoals we dat gemakkelijk inspreken op de
voicemail: ik ben er even niet, maar...
Binnen deze
tijdloze, lucide tegenwoordigheid valt geen wezen te bekennen, maar toch lijkt het er
nogal op dat we een wezen denken te zijn dat op zoek is naar geluk of
naar zichzelf. Onze ware aard kan geen wezen zijn, maar is bovenal dat
wat wezenlijk is. Een wezen is afhankelijk van iets waarmee het in
relatie staat en daar is natuurlijk niets mis mee. De moeilijkheid wordt
geïntroduceerd wanneer we onszelf als wezen of verblijfplaats serieus
gaan nemen en het als onze basis gaan beschouwen.
O
Soms hebben we een
vermoeden dat hetgeen we al die tijd voor onszelf hebben aangezien
corrumpeerbaar is, niet helemaal stevig, veilig en compleet. Een
vermoeden dat dit hele circus, waar ik ’s morgens mee wakker wordt en ’s
nachts in droom, voortkomt uit de vergissing een
zelfstandig, afgescheiden wezen te zijn, een wezen dat uit niets anders
lijkt te bestaan dan een grijze massa met wat informatie en
geheugen. Dat vermoeden zouden we donkerbruin kunnen noemen.
Donkerbruin, omdat we er eenvoudig gezegd niet 'aan willen' deze
vergissing volledig onder ogen te zien. We willen niet erkennen dat
hetgeen we aldoor als onszelf, als onze verblijfplaats beschouwen in de
grond van de zaak maar één doel heeft: namelijk onszelf als
schijnbestaan veilig te stellen. Zouden we dit werkelijk in zijn
naaktheid kunnen 'zien', zonder ons op te stellen als waarnemer of
gewaarzijnde, zonder ons in allerlei meditatieve bochten of stiltes te
wringen, dan zou er van geen vermoeden en al helemaal niet van een
donkerbruin gekleurd vermoeden sprake zijn. Het begrip vermoeden houdt
een niet zeker weten in. Eigenlijk weet je het al, maar je wil er in dit
geval nog niet helemaal aan. Je zou kunnen zeggen dat er iets daagt dat onontkoombaar is.
Diep in het hart is er het besef dat ik als verblijfplaats geen stand
kan houden. Wanneer het zien, leeg van middelen is gerealiseerd, (deze realisatie die we
nooit kunnen bewerkstelligen) vallen we poëtisch gezegd door de bodem
van de verblijfplaats in het onmiddellijke nu, onze ware aard. Als we
eenmaal door deze bodem heen zijn gevallen, is er het simpele besef dat
er nooit sprake is geweest en kan zijn van een plek om te verblijven,
dat wil zeggen van een persoon die denkt te bestaan.
Het onmiddellijke zien, het zien dat leeg van middelen en tijdloos zichzelf in iedere handeling of elke waarneming tegenwoordig kent,
dit zien, dit immens levende hier zijn is dichterbij dan de
injectienaald die het zachte verhemelte binnendringt. Het is nochtans
duidelijk dat het levende hier zijn geen afstand kent. Afstand is, zou
je kunnen zeggen een afspraak van de perceptie, en perceptie is kennis
die door middel van het denken wordt voortgebracht. Deze kennis is
noodzakelijk voor het functioneren in en als deze 'wereld' en ligt
aldoor in welke vorm dan ook paraat. Deze paraatheid wordt op geen
enkele wijze verstoord door de interferenties van een denker die de
gewoonte heeft de auteursrechten op te eisen. Deze onverstoorbaarheid
valt samen met de opperste beschikbaarheid die nodig is wanneer we,
bijvoorbeeld, met secondelijm een fragiel object proberen te lijmen: dan
is er van geen verblijfplaats sprake. Deze paraatheid, op welk
niveau dan ook, heeft geen enkele notie van een personage nodig.
Het is duidelijk dat de indruk een persoon te zijn zich als een verschijnsel in de tijd laat zien. Het grootste gedeelte van de dag
of de nacht is er geen enkel idee of gevoel van zo’n plek of
verblijfplaats. Niettemin hebben we als personage de indruk dat we
doorlopend aanwezig zijn, terwijl we moeten toegeven dat dit onmogelijk
het geval kan zijn: een goudgekleurd vermoeden dat hierin een openbaar geheim schuilt.
O
De
aard van de verblijfplaats
De term verblijfplaats is een nogal poëtische expressie voor dat wat we als onszelf beschouwen.
Een innerlijke plek of lokalisatie, van waaruit we door twee ogen een
wereld, een omgeving zien, die de indruk geeft buiten ons te zijn.
De aard van deze
lokalisatie, dit standpunt, is de onveiligheid zelve. De voortdurende
neiging je plek, het gevoel iemand te zijn zeker te stellen, te
verdedigen. Het gevoel of idee een iemand te zijn, deze verblijfplek,
wekt hierin de schijn een autonoom bestaan te leiden, de touwtjes in
handen hebben. We mobiliseren alles wat mogelijk is om deze schijn, dit
idee hoog te houden. Dit betekend het steeds weer terug komen naar de
hardnekkige gewoonte een eigenaar te ervaren in het lawaai of
geroezemoes van denken en voelen. Aldoor eigenaarslasten creërend vanuit
een sluimerend tekort afgescheiden te zijn van wat zich voor doet.
Hardnekkig is het verblijven als afgescheidenheid: Het sluimerend tekort
doet ons geloven ooit een antwoord daarop of een oplossing daarvoor te
vinden. De aard van de verblijfplaats is de paniekerige neiging of
gewoonte ons zelf te zoeken in gevoelens, ideeën en voorstellingen.
Wanneer deze voorstellingen omtrent ons zelf dreigen te verdwijnen,
zorgen we ervoor dat ze weer verschijnen. Zo is de aard van de verblijfplaats een
schijnbaar zich zelf in stand houdende psychische overlevingsreflex.
Donkerbruin kan het vermoeden zijn, of bruin gekleurd het gevoel van
twijfel, dat dit collectief geheiligde idee een iemand te zijn op
schijn berust.
O
Radicaal herkennen
In de radicale
herkenning van wat we niet zijn, of van wat we niet kunnen zijn, toont
zich onze natuurlijke aard.
Radicaal is de herkenning omdat er van geen doen sprake kan zijn. Elk
doen of niet doen komt voort uit de schijnbare continuïteit van het
denken, of dit innige idee een denker te zijn. Wanneer de
herkenning van wat we niet zijn radicaal of onmiddellijk is, betekent
dat het einde van de verblijfplaats als dat wat we zo vanzelfsprekend
als onszelf hebben beschouwd. Dan is er geen sprake meer van inzicht,
maar van het onvoorstelbare simpele lucide tegenwoordig zijn. De
vraagstelling die het zoeken is, houdt op te bestaan in hier waar je
bent, hier- zonder daar.
Het verlangen om vrij of onthecht te zijn van
de kapriolen van de verblijfplaats, brengt het zoeken naar allerlei
middelen met zich mee die, de veronderstelde gebondenheid of het lijden
zouden kunnen opheffen.
Dit zoeken dat een rijkdom aan tradities heeft opgeleverd, kunnen we
onder andere vinden in de zogenaamde spirituele visies, disciplines en
methoden. De enorme veelheid aan spirituele visies en overtuigingen
waaraan je je als zoeker kunt verlekkeren, biedt in de meeste gevallen
meer verwarring dan het beloofde vrij zijn.
Methoden en beloftes genoeg, aangeboden door
hen die doorgaans niet zonder motief overtuigd zijn van het
uiteindelijke heil. Het uiteindelijke heil of heelheid is als de
geurende worst die de hond doet trekken . De sappige worst droogt uit
wanneer we ophouden onszelf aan te zien voor iets dat ergens zou moeten
komen, of anders zou moeten worden. Als het dier niet meer verleidt
wordt door deze worst die sap en geurloos is, houdt het trekken op. Er
zijn natuurlijk honden die van geen ophouden weten, dwars door beter
weten heen.
O
De paradox van het
zoeken
Handelen en
responderen in het besef geen ding te zijn, niet een iets te zijn: doen
en niet doen dat voortkomt uit de afwezigheid van het geloof een
identiteit of verblijfplaats te zijn, dat handelen zouden we volledig
kunnen noemen.
Vol van ledigheid, niet in de zin van
heilig of puur, of een gedrag dat in onze ogen onfeilbaar dan wel
onbesmet is, maar vrij van een centrum dat steeds zelfcorrigerend en
zelfbehoudend verdeeldheid creëert.
Elk verlangen om vrij te zijn van dit centrum, is de overtuiging of het
idee bevestigen (en versterken) dat je er aan gebonden bent. Elke vraag
en ieder zoeken naar een antwoord of oplossing, is inherent aan het idee
dat je een iets bent dat ergens aan gebonden zou kunnen zijn. Nochtans
is het duidelijk dat we niet anders kunnen dan zoeken. Hoe we het ook
wenden of keren, het zoeken is de grondtoon van de ervaring afgescheiden
te zijn.
De paradox is, dat de hartstocht van het
verlangen en zoeken naar onze ware aard schijnbaar noodzakelijk is, maar
tegelijkertijd het onmiddellijke zien van de natuurlijke aard
verhinderd. In het zien dat er geen oplossing of uitweg is voor de
verblijfplaats, vervalt de relevantie en betekenis van deze paradox. In
het zien dat zonder middelen is, wordt de verblijfplaats of het idee een
iemand te zijn ontmaskert als niets anders dan een vluchtig schijnsel.
Dit schijnsel, of met andere woorden deze ervaring, kan niet anders zijn
dan een uiterst vluchtig tijdgebonden iets, dat zich klaarblijkelijk
voordoet in dit immense lucide tegenwoordig zijn.
Het onwrikbare vaste lucide tegenwoordig
zijn, kan op geen enkele wijze door wat dan ook geraakt worden. Precies
zoals de beelden die gereflecteerd zijn in een perfect gepolijst
oppervlak.
Wanneer we persoonlijk geraakt worden moet dat
noodzakelijkerwijs dit vluchtig schijnsel zijn, dit schijnsel dat we zo
innig koesteren als zijnde onszelf. Zo denken we te leven in de algemeen
gerespecteerde veronderstelling, dat we een iets zijn wat er dan weer
wel en dan weer niet is.
Het is natuurlijk lachwekkend dat dit iets als
vluchtig schijnsel, deze vergissing, het immense hier zijn zou kunnen
begrijpen laat staan ervaren. Immens is het hier zijn dat onontkoombaar
onze ware aard is. In dit hier zijn zonder daar, is er het lucide besef
dat we onmogelijk een ding dan wel voorstelling kunnen zijn, maar dat
wat het komen en gaan van verschijnselen mogelijk maakt. Er is geen
wereld apart van dit immense hier zijn. Wat we ook zoeken, hoever we het
ook zoeken (al is het aan de uiterste grenzen van het heelal) het
zoeken en vinden kan nooit ontsnappen aan het hier zijn zonder daar. Er
kan geen verdeeldheid zijn in hier waar je bent.
O
Waarachtigheid
Het
manifeste als universum aan verschijnselen, toont zich in de
wetmatigheid van tegenstellingen. Deze wetmatigheid kan niets anders
zijn dan kennis die afgeleid of geprojecteerd is op dat wat zich in het
waarnemen voordoet. Waarnemen is de geaardheid van het onmiddellijke
zien en kan dus ook nooit de waarnemer zijn. De waarnemer heeft geen
poot om op te staan. Het is een vergissing jezelf als waarnemer te zien
of te beleven.
Je verbeeld je waarnemer te zijn waardoor
er niet door de ogen van het nu gekeken kan worden. Door de ogen van het
nu is er ultiem genieten. Het is niet zo dat jij geniet, er is genieten.
Zo kunnen we zeggen dat het waarnemen het
onverdeelde zien is dat je bent. Het is het enige dat werkelijk is. Dit
waarnemen heeft moeiteloos licht en donker, hard en zacht en misschien
wel de meest indringende tegenstelling leven en ontbinding in zich.
Een waarneming zoals licht en donker of
een schemerlamp, is een ogenblikkelijk samen vallen van het zogenaamde
object met de benoeming daarvan. Dus wanneer het label schemerlamp die
kennis is verdwijnt, weet je niet wat je ziet. Als het een geluid is
weet je niet wat je hoort, etc.
Er is geen enkel conflict of verdeeldheid in
het wel of niet aanwezig zijn van deze perceptie of het herkennen van de
zogenaamde dingen. Deze kennis ligt altijd klaar om te functioneren. Er
is niets mis met dit functioneren dat direct werkzaam is en ook nooit
gescheiden kan zijn van hier waar je bent, m.a.w. het
onmiddellijke zien.
O